Pilot biodiversiteitsmaatregelen melkveehouderij buiten ANLb gebied

Agrarische gebieden zijn belangrijke leefgebieden voor verschillende dier- en plantensoorten. Andersom is er voor de voedselvoorziening ook biodiversiteit nodig. Veel soorten hebben het de laatste jaren moeilijk. Steeds meer boeren zetten daarom bewust stappen om de biodiversiteit op (en onder) hun grond weer meer ruimte te geven. Dat vergt in veel gevallen wel een investering in tijd of geld, of neemt een deel van een productief perceel weg. Agrariërs in gebieden die zijn bestempeld als ‘leefgebied’ of ‘groen gebied’ kunnen daarom van de provincie, via de Agrarische Natuurverenigingen, subsidie krijgen (ANLb). Buiten de aangewezen gebieden is biodiversiteitbescherming en -versterking echter ook belangrijk. In het project ‘Beheerpakketten Biodiversiteitsmonitor Melkveehouderij’ (BBM) is daarom gekeken naar de vraag: Kunnen we ook in deze zogenaamde ‘witte gebieden’ samen met agrariërs meer biodiversiteit realiseren?

Meten

Zoals de naam van het project BBM al zegt, is in deze pilot ingezoomd op de melkveehouderij. Dertien melkveehouders die zijn aangesloten bij CONO kaasmakers en zich bevinden in ‘witte gebieden’ in Noord-Holland deden mee. De Noord-Hollandse agrarische natuurverenigingen Water, Land en Dijken en ANV Hollands Noorden zijn bij hen langs geweest om te inventariseren hoe zij scoren op 2 KPI’s (Kritische Prestatie Indicatoren) die ook onderdeel zijn van de basis voor de ANLb subsidie in de ‘groene gebieden’: De KPI ‘kruidenrijk grasland’ en de KPI ‘natuur en landschap’.

Agrariërs kunnen punten verdienen op deze KPI’s door verschillende maatregelen op het erf en hun percelen te nemen. Bijvoorbeeld door een bepaald percentage van hun land kruidenrijk te maken, later te maaien, bloemenranden aan te leggen, struiken, bomen en hagen te planten, en door minder gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken. Boerennatuur, de overkoepelende organisatie van Agrarische Natuurverenigingen in Nederland, heeft een monitoringssysteem ontworpen waarin dit uitgewerkt is. De provincie heeft financieel bijgedragen dit monitoringssysteem te ontwerpen. Na een bezoek aan de boer houden de Agrarische Natuurverenigingen hierin digitaal de maatregelen bij. Voor de 13 boeren in dit project hebben ze de huidige situatie gescoord en op perceelsniveau ingetekend.

Foto: intekenen van percelen

Zien waar kansen liggen

Agrariërs kunnen door deze monitoring precies zien, en laten zien, wat zij doen voor de biodiversiteit en waar nog kansen liggen. Het doel van de pilot is om te kijken of dit monitoringssysteem waardevol en werkbaar is in de ‘witte gebieden’ en of dit een goede basis zou kunnen zijn om in beeld te brengen welke activiteiten voor meer biodiversiteit boeren in deze gebieden uitvoeren of kunnen en willen uitvoeren. De onafhankelijke beoordeling van de situatie door een natuuradviseur met het KPI-systeem zorgt daarbij voor borging en betrouwbaarheid.

“In ‘groene gebieden’ kun je ANlb contracten afsluiten. De agrarische natuurverenigingen hebben dan nauw contact met je over het beheer en de doelstellingen van de percelen. Met deze ANLb contracten kun je ook aan andere partijen laten zien welke maatregelen je op je bedrijf treft voor de weide- en akkervogels en de biodiversiteit.” Vertelt Peter Vriend, vanuit CONO betrokken bij dit project. “Zit je in een ‘wit gebied’, zoals bijvoorbeeld De Beemster, dan kun je dat niet zo laten zien. Dat vinden onze leden best wel jammer. Zei zeggen: ‘Wij doen ook aan natuur, of willen hier eigenlijk best wat voor doen, maar wij worden er niet op gemonitord en beloond.’ Daarom is het heel mooi dat we in dit project samen met de agrarische natuurverenigingen en de provincie ook naar agrariërs in deze ‘witte gebieden’ kijken.”

Breed toepasbaar

De melkveehouders die in deze pilot hun ‘natuurscore’ hebben laten berekenen, zijn in meerdere opzichten heel verschillend van elkaar. Wat betreft grootte of nevenactiviteit bijvoorbeeld. Voor deze KPI’s maakt dat volgens Carleen Weebers van Boerennatuur niet uit: “De maatregelen binnen de KPI’s zijn toepasbaar op intensieve en extensieve, gangbare en biologische bedrijven. Ook in de akkerbouw en bollenteelt kunnen ze worden gebruikt. Ze worden bijvoorbeeld ook in de pilot ‘KPI Kringlooplandbouw Akkerbouw’ in De Beemster meegenomen.” Een verschil in welke maatregelen binnen de KPI’s het meest passen kan er wel zijn op basis van locatie en grondsoort, vertelt Grada Kwantes van Water, Land en Dijken: “Op rijke kleigrond is het bijvoorbeeld wat lastiger een goed kruidenrijk grasland te creëren. Andere maatregelen werken op deze grond juist weer beter.”

Soms zit er veel winst in kleine dingen

Een paar agrariërs die meededen aan de pilot hebben al heel veel natuur op hun bedrijf, zo bleek. Anderen minder. Tijdens het project kregen zij direct tips van de Agrarische Natuurverenigingen. Soms kunnen simpele maatregelen al heel veel doen. Zo leerden een aantal deelnemers met knotwilgen op hun grond dat een andere planning al een groot verschil maakt voor de biodiversiteit. Peter Vriend, CONO: “Voorheen ging alles eraf of niets eraf. Door de bezoeken leerden de boeren dat het veel beter is om het knotten om en om te doen, waarbij je het ene jaar de ene boom knot en het andere jaar die ernaast. Omdat ze buiten de ‘groene gebieden’ zitten en niet altijd lid zijn van een agrarische natuurvereniging, komt deze normaal niet op het erf. Een mooie uitkomst van dit project is dus dat boeren tijdens het project door de adviezen meer kennis hebben opgedaan over hoe ze natuur en biodiversiteit soms al met kleine veranderingen kunnen verbeteren.”

Foto: knotwilgen (pixabay) – ter illustratie

Vervolg

Op 14 april werd de pilot afgesloten met een bijeenkomst waarin werd teruggeblikt op wat er is geleerd. Er wordt nu gekeken naar de toekomst. Boerennatuur en CONO zijn het erover eens dat het zonde zou zijn als de pilot geen vervolg zou krijgen. “Zowel voor de boeren als voor de biodiversiteit is continuïteit belangrijk”, zegt Carleen. “We willen niet dat maatregelen die nu worden genomen voor de biodiversiteit in de toekomst terug worden gedraaid omdat de investering een kostenpost is voor de boer die hij niet kan dragen.” Peter voegt toe: ”Het zou mooi zijn als je jaarlijks kunt bijhouden wat er gebeurt. Dan kun je ook zien of er op deze manier verbetering plaatsvindt en steeds meer maatregelen worden genomen. De monitoringsbezoeken kosten echter ook tijd en geld. Daarom heeft het bijhouden de meeste waarde als verschillende partijen met hetzelfde monitoringssysteem gaan werken en op basis hiervan gaan belonen.” Het belonen van boeren voor het nemen van verschillende maatregelen is overigens voor CONO niet helemaal nieuw. Als afnemer van de melk belonen zij hun melkveehouders al met een hogere melkprijs wanneer hun koeien bijvoorbeeld veel de wei in mogen, of eiwitten voor de koeien van eigen land komen. (lees hier meer over het Caring Dairy programma van CONO). Agrarische Natuurvereniging Water, Land & Dijken ziet dat de interesse bij veel boeren voor meer natuur op hun bedrijf er wel is. Het moet echter wel financieel gezien kunnen. Maatregelen die bijvoorbeeld meer natuur, maar minder productie betekenen kan een boer vaak niet zomaar nemen. De provincie blijft in gesprek met de betrokken partijen en wil samen met hen kijken naar de lessen uit het project en de mogelijkheden voor het vervolg die daaruit voortkomen.

Dit project is mede mogelijk gemaakt door Provincie Noord-Holland.

Deel dit artikel met anderen!

Facebook
Twitter
LinkedIn
WhatsApp
E-mail